|   |   |   |   |   |   |   |   |   |   |   |   |   |   |   |   |   |   |   |   |   |   |   |   |   |
EEN WORKSHOP OVER SCHIMMELS EN MYCOTOXINEN
Schimmeltoxinen vormen een
moeilijk beheersbaar probleem. Het nemen van goede maatregelen is niet
eenvoudig. Vanzelfsprekend zijn deze nodig om de consument te beschermen. Het
is dan ook niet verwonderlijk dat zo’n workshop moeiteloos 75 deelnemers trekt.
Overigens heeft dat ook te maken met de toenemende bekendheid van “Food
Doctors” en met de duidelijke behoefte, af en toe goede symposia en workshops
in ons land te organiseren.
In Europees verband bestaat
al vrij veel wetgeving over schimmeltoxinen in voedsel en grondstoffen. Tijdens
de bijeenkomst werd daarover uitvoerig bericht door Martien Spanjer van de
Voedsel en Waren Autoriteit Noordwest te Amsterdam.
Voor onze bevolking is het
natuurlijk van belang wat de Rotterdamse haven zoal binnenkomt. Sinds een jaar
of tien is de aandacht gericht op meer schimmeltoxinen dan alleen maar
Aflatoxine B1. De Brusselse wetgeving strekt zich momenteel uit tot
een groep van aflatoxinen (inclusief het omzettingsproduct M1) en
noemt maximale gehalten (Verordening no. 2174/2003). Voor patuline in dranken
zijn ook normen gesteld (Verordening no. 1425/2003). Op 26 maart van het vorige
jaar werd de verordening voor onderzoek naar Ochratoxine A aangegeven
(Richtlijn 2005/5), maar maximale gehalten zijn nog niet vastgelegd. De
verordening voor Fusarium-toxinen (856/2005) legt maximale gehalten vast en
wijzigt daarmee hetgeen eerder in de inmiddels bekende verordening 466/2001 is
aangegeven.
Op 1 juli aanstaande worden
deze maatregelen van kracht. Vanaf dan geldt ook dat partijen die besmet zijn
met gehalten boven de norm niet mogen worden gemengd met partijen die daaraan
wel voldoen, en op die manier alsnog op de markt zouden komen. Omdat het hier
gaat om een arbitraire norm, is dit een zeer juist besluit. Het is dus ook
terecht dat zulke partijen niet als ingrediënt mogen worden gebruikt. Verder is
het vanaf de genoemde datum verboden, mycotoxinen te verwijderen door middel
van een chemische behandeling. Daarop kom ik nog terug.
De VWA, zo meldde Spanjer,
probeert het geheel van verordeningen en richtlijnen wat te structureren en let
vooral op wetgeving die voor ons relevant is. Men is alert op herkomst van
partijen, controleert documenten en neemt contramonsters. Het is een prachtvak,
maar wel met een overvloed aan richtlijnen, verzuchtte Spanjer.
Gerben Boonzaaijer (TNO
Kwaliteit van Leven) ging vooral in op preventie en beheersing. Daartoe liet
hij de hele productieketen, tot en met de verkoop, de revue passeren: de
omstandigheden tijdens de groei van gewassen en de oogst, het droogproces en de
opslag, transport, inkoopbeleid, verwerking, verkoop en uiteindelijk de
consumptie. De aandacht hoort vooral in deze hele keten te liggen! (Een zaak
van integrale ketenbewaking dus.)
De beheersing hangt ook af
van de mogelijkheid tot decontaminatie. Voor wat betreft de aflatoxinen bestaan
daarvoor verscheidene mogelijkheden. Behandeling met ammonia (waarbij de
lactonring wordt verbroken), enzymatische degradatie, verhitting met
citroenzuur. Geen drastische ingrepen in elk geval. Ook deoxynivalenol (DON)
kan worden verwijderd (door behandeling met stoom in aanwezigheid van
metabisulfiet). Als dit soort behandelingen aan de basis wordt toegepast, kunnen
veel problemen worden voorkomen. Juist ook in het land van herkomst, waar –
zeker in het geval van de aflatoxinen – nogal eens slachtoffers vallen door het
eten van voedsel dat ermee is verontreinigd. Deze verontreiniging is tijdens de
groei vrijwel onbeheersbaar. Ik heb zeker begrip voor het verbod op chemische
decontaminatie achteraf; het kan immers geknoei in de hand werken. Aan de basis
is het echter een aantrekkelijke mogelijkheid (en ooit ook door “Brussel”
gestimuleerd).
Een laatste opmerking: uit
het interessante overzicht van Harm Janssens over analysetechnieken blijkt dat
thans vooral bemonstering en monstervoorbereiding de betrouwbaarheid van het
resultaat bepalen.
Ad Ruiter